Je hebt vast wel een medewerker, collega, vriend, vriendin of een kind dat op de meest onmogelijke momenten onzeker is. Als je naar de situatie en de context kijkt, begrijp je totaal niet waarom die persoon onzeker zou zijn, maar het gebeurt wel.
De natuurlijke reactie die de meesten van ons hebben, is om die onzekerheid direct te ontkrachten.
“Jij bent hartstikke mooi, slim of goed in x, y of z, je kan dit echt wel.” De kans dat iemand daarna zegt: je hebt gelijk, ik voel me ineens hartstikke zeker, ligt ongeveer rond de nul procent.
Onzekerheid ontstaat niet door de situatie
Dat komt omdat onzekerheid zelden ontstaat door de situatie zelf. In de cognitieve psychologie wordt vaak een eenvoudige keten gebruikt om te laten zien hoe gedrag tot stand komt: situatie → interpretatie → gevoel → gedrag. De gebeurtenis zelf is dus niet doorslaggevend. Het is de betekenis die iemand eraan geeft.
Twee mensen kunnen precies dezelfde situatie meemaken. De één denkt: dit komt wel goed. De ander denkt: dit gaat mis. Het gevolg laat zich raden. De eerste voelt vertrouwen en handelt ontspannen, de tweede voelt spanning en wordt onzeker. Daarom helpt het vaak niet om te zeggen dat iemand niet onzeker hoeft te zijn. Voor die persoon voelt die onzekerheid namelijk volkomen logisch.
Ons brein zoekt controle
Ons brein is continu bezig risico’s in te schatten. Dat is ook logisch. Als iemand onzeker wordt, probeert het brein vooral te voorkomen dat er iets misgaat. Wat als ik het fout doe? Wat als ik iets over het hoofd zie? Wat als anderen mij beoordelen?
Vanuit dat perspectief is onzekerheid vaak geen zwakte, maar een poging om controle te houden over een situatie.
Daarom werkt geruststellen meestal niet. Je kunt iemand honderd keer vertellen dat het wel goed komt, maar als die persoon niet precies begrijpt wat er gaat gebeuren, wat er verwacht wordt of waar het eventueel mis kan gaan, blijft die onzekerheid bestaan.